|
Het is weer zover. Na iets minder dan een jaar wachten is het carnaval weer losgebarsten in, voornamelijk, het zuiden des lands. Een vriend van me heeft een studiemaatje uit Turkije, Ugür, over laten komen om kennis te maken met Nederland, en in het bijzonder, carnaval.
Wat een cultuurschok moet dat zijn voor de jongen. Nederland verschilt in veel opzichten natuurlijk al van Turkije, maar waar hij nu in terecht komt: Het is wederom één groot drankgelag. Eén grote orgie van muziek, dronken mensen en kruikenzeikers die hun naam eer aan doen, al dan niet in een kruik. En dat is nog maar pas de rij voor de kroeg.
Uiteraard heeft Ugür afgelopen week al andere mooie plekjes van Tilburg mogen zien want hij moet natuurlijk wel een beetje van de Tilburgse cultuur op kunnen snuiven. Hij werd in Kandinsky op slag verliefd op het trappistenbier, waar hij dan ook meteen de nodige flesjes van in heeft geslagen.
Eigenlijk is carnaval helemaal zo gek nog niet om Ugur kennis te laten maken met Tilburg. Met carnaval is iedereen, in mijn ogen, zoals ze eigenlijk zijn. Carnaval; het is Tilburg ten voeten uit. We hebben een passe-partout gehaald voor hem en uitgedost met een hoge muts, een pofbroek, tientallen keycords en een grote fopspeen om zijn nek nemen we hem mee naar het Piusplein, wat met carnaval in sommige culturen waarschijnlijk als het Sodom en Gomorra wordt gezien.
Ugür wordt vergezeld door een piraat, een vrouwelijke trekvogel, Al Capone, Tony Montana, nog meer jongens met pofbroeken en gekke hoeden, een Mexicaan en Marilyn Monroe. Het is even wennen voor hem. Vrouwen die hem zomaar aanspreken en wat door de combinatie van Schrobbelèr, bier, muziek en het feit dat Ugur engels praat en de dames met een dubbele tong, soms wat moeizaam verloopt.
Hij vraagt me tijdens enkele carnavalsnummers waar de tekst over gaat. Ik zeg hem dat dat niet echt van toepassing is, maar hij staat erop dat ik het vertaal voor hem. “Well, this song is about a plant, the sanseveria, that stands in front of a window. When I enter the room, it stands straight up. It is a plant of one meter in height, but at carnival it doesn’t get enough water.”
Ugur kijkt me niet-begrijpend aan. De magie van zo’n nummer is ook meteen weg als je het uit moet gaan leggen.
“And this one?”, vraagt hij bij het nummer dat erna komt. “There’s thunder, and lightning, and it rains meters of beer.” Schreeuw ik. “Ah!” Ugür voegt meteen de daad bij het woord en gooit de inhoud van zijn glas de kroeg in. Hilariteit alom, natuurlijk. Als hij vraagt naar de vertaling van het carnavalsliedje van Hans Teeuwen ('kotsen in een kut, is het mooiste wat er is, het mooiste wat er is'), blijf ik hem het antwoord toch maar even verschuldigd.
Een paar uur en heul veul bier later zijn we Ugür kwijt. Mijn vrienden met de pofbroeken staan te springen, de Mexicaan is dronken, Marilyn Monroe staat in een hoekje met Tony Montana, Al Capone staat te zingen en ik bestel nog maar een rondje. “Waar is Ugür eigenlijk?” vraagt de dronken Mexicaan aan me. Hij is nergens te bespeuren.
Dan komt hij voorbij gestuiterd. Met twee glazen bier in zijn hand, een zakflacon Schrobbelèr om zijn nek en luidkeels springend en meezingend met Guus Meeuwis alsof hij het al jaren doet.
Welkom in Tilburg, Ugur.
|